De sporen van Stirner...

Max Stirner...

"...het meest lege en armzalige brein onder de filosofen." (Karl Marx)

"...een verdorven student, een rare snuiter, een ego-gek, overduidelijk een zwaar psychopathisch geval." (Carl Schmitt)

"...holt naar het einde, en met hem alle nihilisten, dronken van vernietigingsdrang." (Albert Camus)

"...uit armoede en enggeestigheid voortgekomen middelmaat... een rigoureuze monomaan." (Jürgen Habermas)

Als het aan de filosofische canon lag, bleef Stirner (1806 - 1856) voorgoed de onbekende, maar vooral onbeminde en weinig beminnelijke, zelfs ronduit gevaarlijke apologeet van het gulzige, kleinburgelijke individualisme. In dit artikel voeren we ons eigen sporenonderzoek en wegen daarbij natuurlijk niet alleen Max Stirner, maar veeleer alle denkers die ons goedvaderlijk tegen hem wilden beschermen. We zullen zien hoe de filosofische receptie van Stirner gekenschetst wordt door dubbelzinnigheid, verdringing, vermijding en halfslachtige recuperatie (1). De receptiegeschiedenis van De enige en zijn eigendom werpt een verrassend licht op verschillende schemerhoeken in het leven van uiteenlopende gerenommeerde denkers. Meer dan de post factum inlijving van Stirner, mogen we hopen dat hierdoor De enige en zijn eigendom zélf in het centrum van de belangstelling mag komen staan.

Om niet op de feiten vooruit te lopen, maken we eerst nader kennis met Max Stirner en zijn voornaamste werk: De enige en zijn eigendom.

 

De enige en zijn tijd

We schrijven 1844 en vinden elkaar terug in de gelagzaal van de herberg van Hippel in de Berlijnse Friedrichstrasse. De filosofie spreekt er met een hegeliaanse tongval en de nieuwste, meest stoutmoedige opvattingen vinden er gretige oren. Deze vrolijke kring wordt het gezelschap van 'de vrijen' genoemd. Bij een bierkroes geven ze in hun filosofische debatten uiting aan de gespannen sfeer die in de Berlijnse straten hangt. Er broeit vanalles; het is de Vormärz, enkele jaren later breekt de maartrevolutie van 1848 uit.

In het gezelschap van Bruno Bauer, Ludwig Buhl, Edgar Bauer, Friedrich Engels... bevindt zich ook Johann Kaspar Schmidt; een eerder bezonnen heerschap dat niet vaak het hoogste woord voert. Wanneer hij dat wel doet, is iedereen onder de indruk van zijn argumentatiekracht. Er wordt gefluisterd dat hij aan een groot filosofisch boek werkt, maar de man wil er weinig of niets over kwijt en men vraagt zich af of er wel iets van aan is. Tot in november 1844 plots De enige en zijn eigendom verschijnt. Het boek slaat in als een bom en plots staat de ietwat schuwe Schmidt in het centrum van de belangstelling als Max Stirner, de auteur van De enige.

In De enige en zijn eigendom ontmantelt Stirner de hemelbestormers uit zijn tijd als 'vrome lieden'. Het atheïsme van de alom geprezen Feuerbach is niet meer dan een wissel van de wacht: de God in den hoge is met zijn hebben en houden bij ons ingetrokken en noemt zich nu Mens. God is verinnerlijkt en ik moet als relikwiehouder dienen voor deze ingeweken godsfiguur. Maar in wezen is er niets veranderd: zonde wordt misdaad, Kerk wordt staat, duivel wordt onmens of ook wel: egoïst. De christelijke tweedeling tussen het wezenlijke en het particuliere, het zondagse en het doordeweekse wordt volgens Stirner voortgezet in de moderne, politieke ideologieën van atheïstische signatuur.

Politiek liberalisme, socialisme, communisme en humanisme vormen voor Stirner opeenvolgende momenten van eenzelfde beweging, waarin het concrete individu - net als in de godsdienst - steeds sterker onderworpen wordt aan abstracte ideeën of spoken. Elk van die ideologieën omschrijft wat wezenlijk is aan ons en drijft wat daar niet mee overeenstemt uit als egoïstische gril. Elk van deze ideeën creëert op die manier ook een gemeenschap; bvb. de gemeenschap van de staatsburgers, die van de arbeiders of die van... de mensen. Stirner vergelijkt deze gemeenschappen met zalen, die ons omsluiten door één eigenschap centraal te stellen. In dergelijke zalen komt enkel onze menselijkheid, enkel ons arbeiderschap, enkel ons staatsburgerschap aan bod; wijzelf zijn nooit aan het woord. Wanneer ik toch het woord neem en niet als staatsburger, maar als uniek individu spreek, word ik dadelijk als 'misdadiger', 'onmens' of 'luiaard' in de ban gedaan.

De zaal van het humanisme mag dan al alle andere zalen overspannen, ze snoert mijn eigenheid niet minder de mond. In deze zaal gaan we enkel als mensen met elkaar om, begroeten we enkel het menselijke in elkaar, terwijl al onze andere eigenschappen - geslacht, sociale achtergrond, karakter, geloofsovertuiging...- als uitingen van egoïsme worden gezien. Het humanisme heeft een scherp oog voor onze onmenselijke kantjes.

Enkel wanneer ik bij mezelf onder dak kom, kan ik de eindeloze opeenvolging van nieuwe wezensbepalingen en paleisrevoluties doorbreken. Enkel als ik mijn enigheid erken, kom ik tot mijn recht en mijn eigendom. De menselijkheid wordt dan één van m'n beschrijvingen, naast een open verzameling andere eigenschappen, die allemaal even noodzakelijk én onvoldoende zijn. Ik kom ook in de letterlijke zin tot eigendom: ik krijg de dingen niet langer in bruikleen van de gemeenschap, de mensheid of de staat, maar ik tast toe, in overeenkomst met mijn vermogens. De hele kunst bestaat erin deze greep ook te kunnen lossen en dus niet bezeten te raken van datgene dat ik bezit. Ten slotte kom ik ook in relationele zin tot eigendom: ik ben als enige niet langer het instrument dat de samenleving gebruikt voor haar doeleinden. Ik ga relaties aan in functie van mijn eigenheid en omdat deze verenigingen van egoïsten mijn levensgenot vergroten.

Het evidente wederwoord ligt misschien op je lippen: maar de enige is toch ook een abstract begrip of een soort wezensbepaling; een principe? Alsof hij knipoogde naar Wittgenstein antwoordt Stirner hierop het volgende: "Wat Stirner zegt, is een woord, een gedachte, een begrip; wat hij bedoelt, is geen woord, geen gedachte, geen begrip. Wat hij zegt, is niet het bedoelde en wat hij bedoelt is onzegbaar."(2) De lichamelijkheid, de vergankelijkheid, de veranderlijkheid van de enige brengt de eindeloze estafette van filosofische vooronderstellingen tot stilstand: "Als ik mijn zaak op mezelf, op de enige stel, dan staat ze op de vergankelijke, de sterfelijke schepper van zichzelf, die zichzelf verteert en dan mag ik zeggen: Ik heb mijn zaak op NIETS gesteld."(3)

 

De enige en zijn erfgenamen

De enige en zijn eigendom heeft van meet af aan een dubbelzinnige ontvangst gekend. Het boek werd omwille van de godslasterlijke toon en de staat en maatschappij ondermijnende inhoud onmiddellijk verboden door de censuurcommissie van Saksen, die gelukkig slechts de hand kon leggen op 250 van de duizend exemplaren. De overige exemplaren gingen van hand tot hand en werden zowel ontvangen op lof als op schande. Enkele dagen later wordt de censuur echter opgeheven door de minister van binnenlandse zaken van Saksen omdat het boek "te absurd is om gevaarlijk te kunnen zijn" (4). Niettemin voelen met name de denkers die Stirner bekritiseerde zich geroepen tot het schrijven van reacties op het absurde boek. Zo schreef Feuerbach een weinig overtuigend wederwoord, nam Mozess Hess de verdediging op voor de socialisten en voerde Szeliga het woord voor Bruno Bauer. Met name Feuerbach uit privatim de waardering, die hij openlijk niet over de lippen kan krijgen. Maar ook Engels noemt Stirner in een brief aan Marx diegene die onder De Vrijen 'ongetwijfeld over het meeste talent, persoonlijkheid en energie beschikt'(5). Stirner dient deze drie voornaamste recensenten op een superieure manier van antwoord in Rezensenten Stirners, waarin hij De enige op verschillende punten verduidelijkt.

Nog voor de aanvang van de maartrevolutie van 1848 is de belangstelling voor De enige en zijn eigendom helemaal weggeëbd en is deze komeet van de filosofische einder weggevaagd. De stilte waarin De enige ondergedompeld wordt, is echter schijn: in werkelijkheid legt ze getuigenis af van de manier waarop het boek inwerkt op zijn lezers en zij op hun beurt tot een vergelijk trachten te komen met zijn soms verontrustende inhoud.

 

Marx en Engels: Sankt-Max

Het schoolvoorbeeld van de Stirnerreceptie wordt ons gegeven door Marx en Engels. Friedrich Engels, die Stirner wel eens als een goede vriend bestempeld heeft (6) was erg onder de indruk van De enige en spoorde Marx in zijn brieven aan het boek te lezen en er de bruikbare premissen uit op te nemen om er een communistische conclusie aan te breien. Marx' antwoord moet verbitterd geweest zijn. Hij herkende in Stirner onmiddellijk één van zijn belangrijkste tegenstanders, getuige hiervan de absolute prioriteit die hij gaf aan een repliek. De publicatie van een recensie van De enige stelde hij uit en in plaats daarvan sloot hij zich tussen 1845 en 1846 samen met Engels op om een meer dan driehonderd pagina's tellend schotschrift te schrijven, waarin De enige bijna zin na zin geridiculiseerd en bekritiseerd wordt. De toon illustreert op vele plaatsen de obsessie die het tweetal moet bezeten hebben. Deze Sankt-Max zou, samen met de kritieken op Bauer en Feuerbach het document worden dat uiteindelijk pas in 1932 zou uitgegeven worden als Die Deutsche Ideologie. Marx geeft aan dat ze in die tijd geen uitgever vonden voor de klepper van 700 pagina's en het werk dan maar overgelaten hebben aan de knagende kritiek van de muizen. Het is aannemelijker dat tegen 1846 de ophef rond De enige al fel bekoeld was en Marx deze slapende hond allicht liever niet wilde wekken. Bovendien had het tweetal er reeds de mosterd uitgehaald: doorheen het koortsachtige schrijfproces en de kritiek ad hominem rekenden Marx en Engels definitief af met het hegeliaanse idealisme en het humanisme van Feuerbach om de vroege basis te ontwikkelen van het historisch materialisme (7).

Dit korte relaas toont goed welk lot De enige al te vaak beschoren was (8): ten eerste wordt de publieke uiteenzetting met het werk angstvallig vermeden, vervolgens leidt de private confrontatie met het werk tot het ontwikkelen van een tegenfilosofie waaruit alle sporen van de confrontatie zorgvuldig weggewist zijn. Het proces lijkt kenmerken te hebben van een psychologisch verdringingsproces. Opmerkelijk is dat de grootste biografen van Marx - het bekendste voorbeeld is ongetwijfeld Louis Althusser - deze verdringing lijken te herhalen en eveneens doof blijven voor de echo's van Stirner. Wanneer Stirner in 1968 een tweede renaissance meemaakt, gebeurt dit door de marxist Hans Günter Helms, die hem portretteert als een protofascistisch denker en de grote meester Marx voordraagt als de reddende heiland (9).

 

Friedrich Nietzsche: 'Toen ik jong was heb ik een gevaarlijke godheid ontmoet...'(10)

Vanaf 1847 wordt De enige in een lange periode van stilzwijgen gehuld. Deze stilte wordt pas doorbroken in de tweede helft van 1880, toen in het kielzog van Nietzsches ontluikende beroemdheid hun overeenkomsten aan het licht komen en Nietzsche-onderzoeker Paul Lauterbach in 1893 een nieuwe, breed verspreide uitgave van De enige verzorgt.

De mogelijke bekendheid van Nietzsche met Stirner is met name in die tijd het onderwerp geweest van uiteenlopende onderzoeken en discussies, die nooit een beslissende uitkomst gekregen hebben. Harde bewijzen zijn er alvast niet voorhanden, maar recent (11)kwam er een, tot dan toe door slordigheid over het hoofd gezien, element aan het licht dat de balans toch weer laat doorwegen voor een bevestigend antwoord en tegelijkertijd tekenend is voor de Stirnerreceptie.

Iedereen is bekend met Nietzsches finale crisis; de inzinking die hij kreeg in 1889 in Turijn. Deze crisis, die hem geestelijk voorgoed aan de wereld onttrok, werd met bijzonder veel precisie en nauwkeurigheid onderzocht. Veel minder bekend is Nietzsches 'initiële crisis': eind oktober van het jaar 1865 is Nietzsche de psychose nabij. Alle Nietzsche-biografen zien deze crisis als een nawerking van zijn periode in Bonn, zijn geloofsverlies en de daaruit voortkomende keuze geen theologie te gaan studeren. Nietzsche wordt aan de haren uit het moeras getrokken door Schopenhauer, wiens werk hij eerder toevallig leert kennen. Onbesproken in al deze biografieën blijven de eerste twee weken van oktober, die Nietzsche doorbracht in Berlijn in het huis van Eduard Mushacke.

Eduard Mushacke was een seminarieleraar, een partizaan van de Vormärz en een voormalige vriend van Max Stirner. Eveneens onbesproken of onopgemerkt blijft de grote bewondering die Nietzsche had voor deze geestelijk bewogen tijd, waarin hij graag geleefd had. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat hij, die zo sterk onder de indruk was van Feuerbach en Strauss, in deze setting niet in aanraking gekomen zou zijn met de hamerende filosoof Stirner. Allicht heeft de oude Eduard Mushacke, die Nietzsche nog het liefst aangesproken had met 'mijn vader', hem een bevoorrechte inleiding gegeven tot De enige. In dit boek, dat hij vermoedelijk tijdens dit verblijf verslonden heeft, kwam hij in aanraking met iemand die zich boven goed en kwaad had uitgewerkt, die sprak over de dood van God en die de atheïsten vrome lieden noemde. Voor Nietzsches fijnbesnaarde geest moet deze ontmoeting een onvergelijkbare impact gehad hebben. In een brief die hij kort na zijn Berlijnse vakantie schrijft, lijkt hij bovendien met een soort missie uit Berlijn vertrokken te zijn; een groot project, waarop hij samenzweerderig alludeert.

Nietzsche maakt kort daarop een nogal onhandig einde aan zijn vriendschap met Eduard Mushacke: hij schrijft hem niet langer en laat slechts onrechtstreekse groeten overmaken. De crisis waar de ontmoeting met De enige allicht aanleiding toe gaf, leidde niet tot een voortzetting, maar tot een clandestiene overwinning van Stirners radicale atheïsme. Nietzsche verbrandde zijn dagboeken uit deze periode en wiste daarmee allicht kostbare sporen uit. Nietzsche neemt tegelijkertijd een dubbele vlucht naar de filosofie van Schopenhauer en naar de filologie.

De onnauwkeurigheid en het gebrek aan zin voor kritiek waarmee de Nietzschebiografen deze cruciale passage behandelen, is vergelijkbaar met de verdringing van stirneriaanse invloeden op Marx bij marxistische onderzoekers. Wanneer de mogelijke invloed van Stirner op Nietzsche dan toch ter harte genomen wordt, bijvoorbeeld in het geval van Paul Lauterbach, wordt Stirner nogmaals ten tonele gebracht als de 'gevaarlijke' denker, die gelukkig succesvol overwonnen werd door Nietzsche.

 

De bevestiging van een vermoeden: de clandestiene receptie van Stirner

Op basis van de Stirnerreceptie bij Marx en Nietzsche ontstaat een vermoeden dat bevestigd wordt door een overzicht van de invloed die Stirner heeft gehad op andere denkers. De enige en zijn eigendom heeft ondergronds een niet te onderschatten invloed uitgeoefend en deze clandestiniteit zegt misschien iets over de kracht die het werk uitoefent op de lezer.

Eduard von Hartmann (1842 - 1906) was vanaf het verschijnen van zijn Philosophie des Unbewussten in 1869 één van de toonaangevende denkers in Duitsland. Het werk heeft onder andere een grote, aanhoudende invloed uitgeoefend op Nietzsche. De klepper van 700 pagina's bevat welgeteld drie pagina's die Stirner behandelen. Op deze drie pagina's geeft Hartmann aan dat hij 'op het standpunt van Stirner gestaan heeft' en dat de uiteenzetting met diens werk een van de belangrijke drijfveren was voor zijn Philosophie des Unbewussten, waarmee hij tegelijk Stirner 'overwonnen' had. (12) Net zoals bij Nietzsche en Marx vinden we ook bij Hartmann een gecamoufleerde Stirnerreceptie, die via een private uiteenzetting leidt tot een overwinningsfilosofie.

Rudolf Steiner (1861 - 1925), nu enkel nog bekend als bezieler van de antroposofie, was vóór zijn esoterische wending, een stirneriaans anarchistisch individualisme toegedaan. De oorspronkelijke versie van zijn Philosophie der Freiheit (later antroposofisch gereviseerd) was een op stirneriaanse leest opgebouwde ethiek en levensopvatting. Hij noemde Stirner in die tijd: '... de meest vrije denker die de mensheid sinds de nieuwe tijd heeft voortgebracht'(13). Wat dan precies de radicale ommeslag naar de theosofie teweegbracht, geeft Steiner uiterst summier aan in zijn autobiografie (14): het zuiver ethische individualisme zou hem in een soort geestelijke afgrond meegesleurd hebben. Ook hier leidt een private worsteling tot een zegevierende overwinningsfilosofie en de verloochening van eerdere beïnvloeding.

Andere auteurs spreken zich nauwelijks uit over Stirner, maar die terughoudendheid doet vreemd aan en lijkt eerder op een soort vermijdingsstrategie: Edmund Husserl vermeldt Stirner nergens, maar bij vergissing werd wél overgeleverd dat hij hem niet verzweeg omdat hij niet vermeldenswaardig was, maar omdat hij zijn leerlingen tegen zijn 'verleidende kracht' wilde beschermen (15). Theodor Adorno liet zich wel eens ontvallen dat Stirner diegene was, die werkelijk 'de kat de bel heeft aangebonden', maar hij vermeed verder angstvallig een inhoudelijke uiteenzetting met De enige. De jonge Jürgen Habermas nam Stirner als uitgangspunt van zijn argumentatie in Das Absolute und die Geschichte (16) maar vermeldt hem hierna nooit meer, zelfs niet in zijn uiteenzettingen over het jong-hegelianisme.

Onvermeld blijven hier onterecht: de existentialistische en poststructuralistische receptie van Stirner, de vele schrijvers, anarchistische denkers, kunstenaars en (anti-)pedagogen die zich positief of negatief tot Stirner verhouden hebben. Zij bieden echter geen tegenvoorbeeld: telkens wordt Stirner slecht verteerd, geeft hij aanleiding tot existentiële worstelingen, verkrampt stilzwijgen, de ontwikkeling van tegenfilosofieën of eenzijdige en twijfelachtige omarmingen.

 

Een besluit op kousenvoeten
Er zijn uiteenlopende redenen aan te geven voor de 'onverteerbaarheid' van De enige. We kunnen er losweg enkele vermelden zonder daarbij volledigheid te pretenderen. Uiteindelijk levert de leeservaring van De enige zélf de meest tastbare bewijzen.

De enige en zijn eigendom is geen alledaags boek. De taal is niet overdreven filosofisch, maar een vaste structuur ontbreekt en dat versterkt de ervaring van een uiteenzetting op drift. Opmerkelijk zijn de verschillende stilistische technieken die Stirner gebruikt om de lezer actief te betrekken: hij spreekt ons rechtstreeks aan, alsof we samen op wandel zijn, vraagt zich af of we nog wel kunnen volgen, bespot de lezer ook wel eens, of buigt een argumentatie plots naar de lezer om. Cruciale passages of stellingen worden vaak als vragen geformuleerd, waardoor het eindbesluit om de actieve bevestiging van de lezer vraagt. De enige gebruikt ook voortdurend begrippen die een sterke negatieve connotatie hebben (egoïsme, misdaad, bezetenheid) in een heel eigen, doorgaans positieve zin. Deze techniek van 'Verwandlung' zorgt, samen met de etymologische ontledingen en het eigenzinnige gebruik van bvb. gedachtestreepjes, voor voortdurende kortsluitingen in de lezing en de betekenisverlening; ze doorbreekt elk ondubbelzinnig moreel oordeel en confronteert ons met onze eigen vastgeroeste opvattingen.

Deze stijlvormen ondersteunen een betoog dat ons voortdurend uit de lezerspositie haalt, want de enige is geen abstract concept, het is slechts een naam voor de onbenoembare werkelijkheid die ik zelf ben. Dat plaatst de lezer in een uiterst dubbelzinnige positie, waarin hij zowel buitenstaander als middelpunt van de belangstelling is. Helemaal ongemakkelijk krijgt de lezer het wanneer hij vanuit die middelpuntigheid geconfronteerd wordt met zijn culturele neiging zich ten dienste te plaatsen van iets anders: het goede, het goddelijke, de rechtvaardigheid. Stirners scherpe analyse van dit halfslachtige egoïsme legt de vinger op een diep ingebakken heteronomie en deze zere wonde van de zelfverloochening zorgt voor de meest hevige tegenreacties: existentiële crisis, verdringing, vermijding, worsteling en overwinning.

Stirners verwachtingen ten aanzien van zijn lezers was onverbloemd: 'doe met mijn gedachten wat je wil en kan, dat is jouw zaak en ze gaat mij niet aan' (17). Dat advies hebben de meeste filosofische zwaargewichten ter harte genomen, maar dan met de halfslachtigheid en de heimelijkheid die zo kenmerkend is voor een slecht geweten.

 

 Voetnoten:

 

1) We baseren ons voor de analyse van Stirners receptie grotendeels op het verdienstelijke werk van Bernd A. Laska, Ein dauerhafter Dissident, LSR-Verlag, augustus 1996.

2) Stirner (M.): Parerga, Kritiken, Repliken. p. 149.

3) Max Stirner, Le philosophe qui s'en va tout seul, Tanguy L'Aminot p. 27.

4) De enige en zijn eigendom, Max Stirner, zonder uitgever, 2012, p. 284.

5) Lawrence L Stepelevich, The revival of Max Stirner

6) Id.

7) Stedman-Jones, 'Introduction' in K. Marx & F. Engels, The Communist Manifesto, London, 2002.

8) Bernd A. Laska, Ein dauerhafter Dissident, LSR-Verlag, augustus 1996, p.118.

9) Die Ideologie der anonymen Gesellschaft, Hans Günter Helms, Verlag Du Mont Schauberg, 1966.

10) Friedrich Nietzsche: Aus dem Nachlass 1884-85, Fragment Nr. 34 [232], April-Juni 1885. In: Sämtliche Werke, KSA (Hg. Colli/Montinari), Band 11, blz. 498.

11) Bernd A. Laska, Nietzsches initiale Krise, Die Stirner-Nietzsche-Frage in neuem Licht.

12) Eduard von Hartmann: Philosophie des Unbewussten. 1869. 12. Aufl. Leipzig: Alfred Kröner 1923, blz. 373.

13) Rudolf Steiner: Friedrich Nietzsche, ein Kämpfer gegen seine Zeit, RSGA Band 5, p. 96 - 99,1895.

14) Rudolf Steiner, Mein Lebensgang: RSGA Band 28, p. 372, 370.

15) Husserl-Archief te Leuven, Manuscript F I 28, blz. 118

16) Habermas, Das Absolute und die Geschichte, p. 33, Bonn, 1954.

17) Max Stirner, Der Einzige und sein Eigentum, Ausführlich kommentierte Studienausgabe, p. 299, Karl-Aber Verlag, 2009.